Gratis en voor niks

In het verleden hebben we onze bedenkingen geuit over het gratis uitdelen van aardbeien bij de start van het aardbeien seizoen. Het gratis uitdelen, hoe goed ook bedoeld, staat haaks op de inspanningen en kosten die de teler opbrengt om een kwaliteitsproduct op de markt te brengen. De prijs is te belangrijk in de perceptie van de consument en dient met de nodige omzichtigheid benaderd te worden.

Vergelijkbaar in perceptie voor de consument is het gratis uitdelen van aardappelen. Ook hier valt het op hoe het publieke debat zich laat verleiden. Beelden en emoties die ver van de werking van een economische agro-sector staan.

Er is de versmarkt van tafelaardappelen. Tafelaardappelen zijn specifieke rassen, volgens doel (hard kokend, bloemig, enz.) geselecteerd, kennen andere afzetkanalen en een andere prijsvorming. Terwijl deze telers zich specialiseren in de markt van de tafelaardappelen en een marktconforme prijs nastreven, verstoort de consumentenperceptie van gratis aardappelen dit businessmodel.

In de volksmond zegt men “het is gratis en voor niks”. Alhoewel het de schijn heeft dat gratis en voor niks hetzelfde betekent is er een wezenlijk verschil tussen beide. Bij gratis geef je een goed of dienst gratis weg met als doel een voordeel te creëren. Bij voor niks geef je een goed of dienst gratis weg en je creëert geen voordeeleffect.

De acties van het gratis uitdelen van aardappelen dient voor niks.

De consumentenperceptie op de prijs voor “aardappelen” is het gevolg van de uitdijende kloof tussen consument en producent. Hoeveel consumenten en media kunnen zich iets voorstellen bij de specifieke kenmerken van de verschillende rassen? Aardappelrassen worden hoofdzakelijk ingedeeld op kooktype: vastkokend (blijven heel, goed voor salade/koken), vrij-vast (veelzijdig) en bloemig/kruimig (vallen uit elkaar, ideaal voor puree/friet).

De huidige overschotten zijn hoofdzakelijk de industriële rassen zoals Fontane. Deze rassen zijn geselecteerd op specifieke kenmerken nodig voor verwerking en bewaring op industriële schaal.

Voor deze markt kunnen we best spreken van een grondstof voor de voedingsindustrie.

De aardappelteelt is een kapitaalsintensieve teelt opererend in een in-elastische vraagmarkt.

Het kapitaalsintensieve kenmerk van de teelt is het gevolg van investeringen in werktuigen, pootgoed, bemesting, fytobehandelingen, bewaring en arbeid.

Om deze kosten en het risico deels af te dekken zijn er de contracten met de aardappelverwerkende industrie. Het ander deel, de vrije markt, is risicovol en onderhevig aan de wet van Davenant-King.

De Wet van Davenant-King is een klassiek economisch principe dat de relatie beschrijft tussen de opbrengst van landbouwgewassen en de prijs ervan. Hoewel de wet al in de 17e en 18e eeuw werd geformuleerd, blijft ze een interessant voorbeeld van hoe prijsschommelingen kunnen ontstaan in markten met beperkte flexibiliteit.

Oorsprong en achtergrond

De wet is genoemd naar twee Engelse economen: Charles Davenant en Gregory King. Zij bestudeerden historische gegevens over oogsten en graanprijzen in Engeland en merkten een opvallend patroon op: kleine veranderingen in de oogst konden leiden tot grote veranderingen in de prijs.

De wet van Davenant-King stelt dat een kleine daling in het aanbod leidt tot een disproportioneel grote stijging van de prijs en omgekeerd. De vraag naar basisvoedsel of grondstoffen voor voeding is relatief in-elastisch. Mensen moeten blijven eten, ongeacht de prijs. Daardoor reageert de prijs sterk op veranderingen in het aanbod. We spreken dus van een in-elastische vraag: consumenten blijven ongeveer dezelfde hoeveelheid kopen, zelfs als de prijs stijgt of daalt.

De wet van Davenant-King illustreert op een heldere manier hoe kwetsbaar markten voor basisgoederen kunnen zijn. Ze toont dat kleine veranderingen in aanbod grote economische gevolgen kunnen hebben.

Welke rol kan de overheid invullen?

Professor landbouwsociologie Joost Dessein (UGent) verwoordde in “de ochtend” van radio 1 dat de industriële aardappelverwerkers geen liefdadigheidsinstellingen zijn. Een quote die VAC reeds lang verkondigd, denk maar aan ons standpunt inzake het ketenoverleg.

Hier moeten we dus niet veel heil van verwachten hoe interessant dit ook lijkt vanuit politiek oogpunt.

Er is meer soelaas te verwachten om de overschotten, ter ondersteuning van de prijs te bestemmen voor energie.

Uit literatuur leren we dat uit de aardappel als zetmeelhoudend gewas bio-ethanol kan geproduceerd worden. Gerekend aan een opbrengst van 45 ton per ha en een zetmeelpercentage van 19% zou een hectare aardappelen 5.600 liter bio-ethanol leveren. (bron: Van Hall Larenstein)

Hier kan de overheid haar rol als facilitator ten volle uitspelen.

Wanneer duidelijk wordt gemaakt dat het overschot aan industrie-aardappelen en dus grondstof voor de voedingsindustrie wordt verwerkt tot “groene” energie is gratis niet meer voor niks.